De Loelatsjen

van de Piepeluiselaarstraat

Het huisje stond er al heel lang, aan de Piepeluiselaarstraat. Wit van kleur, met rode dakpannen die glansden in de zon als platte aardbeien. Aan de zijkant groeiden slingerplanten omhoog langs de muur, en tussen de bladeren hingen blauwe druiven die zacht wiebelden in de wind. De houten voordeur was groot en zwaar, met een deurklopper in de vorm van een eikel. Het stond aan de rand van een meertje, zo stil dat je het water kon horen ademen.

En daar… wonen de Loelatsjen.

Het witte huisje

Janneke zette haar zoontje Fos op de stenen stoep. "Hier is het dan," zei ze zacht. Ze glimlachte.

Fos kneep zijn ogen een beetje dicht. "Was dit huisje echt van opa?"

"Ja," zei Janneke. "Hier was ik altijd toen ik klein was. Opa en ik bakten koekjes, gingen zwemmen, en... we keken naar de wolken tot ze verhalen werden."

Het huisje had lang leeggestaan. Er lag stof op de vensterbanken en de vloer kraakte bij elke stap, alsof hij wakker werd uit een diepe slaap. Maar het rook nog steeds een beetje naar kaneel, thee en iets wat Fos nog niet kende — iets ouds en warms tegelijk.

Samen begonnen ze te poetsen. Fos veegde met een veel te grote veger over de vloer en Janneke zong een liedje terwijl ze het raam openzette.

"Als je koekjes legt bij dag,
en je fluistert drie keer zacht,
komt een Loelatsje misschien,
in het licht van je lach."

Ze hadden spinnenwebben weggehaald, het stof van de vensterbanken geblazen, oude stoelen afgestoft en de houten vloer gepoetst tot hij weer glansde. Toen ze allebei moe waren, gingen ze op hun rug liggen in het midden van de woonkamer. Op het wollen kleed dat nog van opa was geweest. De zon scheen door het raam op hun voeten.

"Mama," zei Fos. "Is dit nou ons huis?"

Janneke knikte. "Ja, dit is van ons…"

Fos zuchtte tevreden. "Ik vind het hier fijn." Maar toen fronste hij. "Het huisje voelt alleen een beetje verdrietig."

Janneke dacht na. "Ja... het heeft ook lang leeggestaan. Misschien wel te lang."

"Hoe maken we hem weer blij?"

"Dat weet ik niet."

Janneke keek naar Fos. "Weet je? Vroeger was dit huisje ook van de Loelatsjen."

Fos draaide zich om en keek haar met grote ogen aan. "Wat zijn dat?"

Jannekes stem werd zachter, alsof ze een geheimpje vertelde. "De Loelatsjen zijn kleine, harige wezentjes. Ze hebben ronde buikjes, piepkleine neusjes, altijd rode wangetjes, en ze ruiken een beetje naar warme koekjes."

Ze lachte. "En ze hebben het allerliefste gezichtje."

"Woonden die hier echt?" vroeg Fos.

"Echt," zei Janneke. "Ze wonen alleen in heel bijzondere huizen. Toen ik klein was kwamen ze vaak tevoorschijn. Ze zaten op de vensterbank, hingen ondersteboven aan de trapleuning, of kropen in de oude theekast. We bakten koekjes voor ze en als je goed keek, zag je soms hun kleine handjes graaien naar rozijnen. Ze waren dol op rozijnen en kruimels en zachte dekens."

Fos krulde zijn neus en fluisterde: "Mama? Zou ik ze ook kunnen zien?"

Janneke glimlachte. "Ze laten zich niet zomaar aan iedereen zien!" Ze stak haar vinger in de lucht. "Alleen als je echt gelooft…"

Ze lagen even stil. Fos wenste dat hij ze ook kon zien. En toen kreeg hij een idee. "Daar is er één!"

Janneke keek verbaasd omhoog. Ze zag niets, maar speelde mee. "Oooh! Ja, daar boven de kast!"

Fos giechelde. "En daar! Op de lamp."

"En daar!" zei Janneke. "Daar zijn er twee. Onder de stoel!"

Fos lachte zachtjes van plezier. "En DAAR klimt er eentje over de vensterbank!"

Een tijdje lagen ze zo, samen in hun eigen verzonnen wereld. De vloer kraakte. De druiven ritselden buiten.

En misschien, heel misschien… bewoog er iets in de hoek.

· · ✦ · ·

Het rozijntje

De volgende ochtend scheen het zonlicht precies op de keukentafel, alsof het huisje "goedemorgen" wilde zeggen. Janneke zette een kopje thee en sneed een appel in dunne stukjes. Fos zat op de grond met een pollepel en sloeg zachtjes op een lege kartonnen doos.

Boem. Boem. Stil.

Fos vroeg: "Mama… denk je dat de Loelatsjen nog hier zijn?"

Janneke liep naar hem toe en ging op haar knieën zitten. "Ik weet het niet zeker," zei ze. "Ze zijn heel verlegen. Ze laten zich alleen zien als ze zich veilig voelen. En als er gelachen wordt. Of koekjes worden gebakken."

Fos knikte alsof hij dat heel logisch vond.

Ze poetsten die ochtend verder: de trap werd gestoft, de boekenkast kreeg een doekje en Janneke ontdekte een oude bril van opa onder een stapel vergeelde kranten. Ze blies het stof eraf en legde het op tafel.

Na een poosje waren ze moe en gingen weer op het oude, zachte vloerkleed in de woonkamer liggen, precies zoals de dag ervoor.

"Mama?" zei Fos. "Hmm?" antwoordde Janneke.

"Het huis is misschien wel schoon. Maar het voelt nog steeds verdrietig."

Janneke knikte en Fos knuffelde zijn moeder.

Janneke legde haar handen onder haar hoofd. "Wat als de Loelatsjen nog hier zijn," zei ze. "Wat als ze zich ergens verstoppen, achter de boeken of in een theepot?"

Fos fluisterde terug: "Of onder de stoel!"

Ze speelden het spel van gisteren opnieuw. Fos wees naar het plafond. "Daar is er één!" Janneke deed alsof ze hem ook zag. "En daar, kijk! Twee op de boekenplank!" Fos lachte. "Ooooh! En eentje hangt met zijn pootjes aan de lamp!"

En toen — net toen Janneke wilde opstaan om thee te zetten — hield Fos zijn adem in. Heel stil. Hij staarde naar de hoek van de kamer, bij de plint, naast het oude kastje met het scheve pootje.

Zijn mond viel een beetje open. "…Mama," fluisterde hij, "ik… ik zag er écht één."

Janneke draaide zich om, haar ogen zacht en een beetje glimlachend. "Ja hoor, vast."

Maar Fos knikte langzaam. Zijn stem was serieus. "Echt, mama. Hij was klein. En harig. En hij had van die wangen… helemaal rood. En oogjes als kraaltjes."

Janneke keek naar de hoek. Ze zag niets. Alleen de muur. En het kastje.

Maar daar… Er lag een klein rozijntje. Precies daar waar Fos naar wees.

· · ✦ · ·

De verdwenen koekjes

"Gaan we vandaag koekjes bakken?" vroeg Fos. Janneke rekte zich uit en knikte. "Koekjes voor ons... én misschien ook wel voor de Loelatsjen."

Fos wiebelde van plezier. "Voor die met de rode wangen!" "Zeker," zei Janneke. "Die houdt vast van rozijnen."

Janneke liet Fos helpen met het scheppen van bloem en het kneden van het deeg. Zijn handen plakten van de boter, maar dat vond hij niet erg. Overal dwarrelde meel — zelfs op zijn haar zat een wolkje wit.

"Wat stopten opa en jij er vroeger altijd in?" vroeg Fos.

Janneke glimlachte. "Rozijnen, kaneel, en een snufje… liefde."

Fos knikte ernstig en gooide heel voorzichtig een rozijntje in de kom. "Snufje liefde," herhaalde hij.

Ze rolden bolletjes, legden ze op het bakblik en staken het in de oven. Terwijl de koekjes bakten rook het warm, zoet en kruidig in het witte huisje. Toen ze klaar waren, liet Janneke ze even afkoelen op een rooster.

Fos mocht er alvast eentje proeven. Hij nam een hap en zijn ogen glommen. "Hij is perfect," zei hij met volle mond.

Daarna pakten ze een klein schoteltje — blauw met een barstje erin — en legden er drie koekjes op. Janneke knikte plechtig. "Voor de Loelatsjen," zei ze. Samen liepen ze naar de woonkamer. Ze zetten het schoteltje op het kleine tafeltje naast de stoel met het gebreide kussen.

Ze liepen samen naar buiten om druiven te plukken uit de tuin. Toen ze terugkwamen…

…was het bordje leeg.

Alle drie de koekjes waren verdwenen. Op het kleed lagen drie kleine, kruimelige voetafdrukken. En een rozijn.

Fos grijnsde. "Bolleboef," fluisterde hij. Janneke keek hem aan. "Bolle-wie?"

"Dat is 'ie," zei Fos. "Dat Loelatsje met de dikke wangen. Die heet Bolleboef." Janneke lachte. "Nou… welkom, Bolleboef."

En toen hoorden ze het weer: Tik. Heel zacht.

· · ✦ · ·

Het krijtje

Die volgende middag waaide er een zachte wind door het open raam van de woonkamer. Het kleedje op de keukentafel bewoog een beetje, net als het gordijn. Janneke zat op de grond met haar benen gekruist, en Fos kleurde met zijn nieuwe potloden op een groot vel papier.

"Wat teken je?" vroeg Janneke.

Fos hield zijn tekening omhoog. "Een huisje. Ons huisje. En Bolleboef, kijk — daar zit hij bij de koekjes!"

Janneke boog zich voorover. "Ja, ik zie hem! Die dikke wangen zijn precies goed."

Fos kleurde verder. Hij wilde net een wolk tekenen toen hij iets opmerkte. Op de rand van de boekenplank lag iets kleins. Iets dat er eerder nog niet was geweest.

Een krijtje. Heel lichtblauw. Net zo licht als de lucht boven het meer.

Fos keek naar zijn moeder. "Mama?" "Hmm?" "Is dit krijtje van jou?"

Janneke stond op en liep naar hem toe. Ze nam het krijtje voorzichtig tussen haar vingers. "Dit is geen gewoon krijtje," fluisterde ze. "Dit lijkt op het krijtje van Fladder."

Fos trok zijn wenkbrauwen op. "Wie is dat?" "Een van de Loelatsjen," zei Janneke. "Ik ken haar al heel lang. Zij houdt van tekenen. Niet alleen op papier, maar op muren, stenen, takken… en soms zelfs in de lucht."

"In de lucht?" Fos keek op. "Ja," zei Janneke. "Maar je kunt het alleen zien als je heel stil bent… en een beetje droomt."

Ze keken naar het krijtje. Fos wilde ermee tekenen, maar Janneke hield hem tegen. "Wacht," zei ze. "Misschien moeten we het terugleggen. Fladder verliest haar krijtje niet zomaar. Misschien wilde ze iets tekenen."

Ze legden het krijtje op de vensterbank, naast de bloemen. Toen gingen ze op het kleed liggen — hun lievelingsplek — en staarden naar het plafond.

"Wat zou ze tekenen, denk je?" vroeg Fos. "Misschien een vliegende appel," zei Janneke. "Of een Loelatsje op een fiets!" Ze lachten.

Toen Janneke haar hoofd draaide, zag ze iets geks. Op het raam — aan de binnenkant — waren krulletjes getekend. Hele fijne, blauwe boogjes. Als dansende visjes. En in het midden: een klein hartje met een scheurtje in het midden.

Fos kroop overeind. "Dat stond er net nog niet!" Ze keken samen naar het raam. Het krijtje was verdwenen. En héél in de verte, bij het hoekje van de kamer, dwarrelde iets langs de muur — een zacht pluimpje, alsof er een veertje was gevallen.

Fos fluisterde: "Dat was ze. Dat was Fladder."

Ze keken naar het raam, waar het zonlicht het hartje met de scheur verlichtte.

Fos stond op en liep naar de voordeur. Hij trok zijn laarzen aan. "Mag ik even naar buiten, mam?" vroeg hij. Janneke glimlachte. "Blijf wel in de buurt." Buiten was het koud en nat, maar Fos vond het fijn. Hij plofte neer bij het houten bankje onder de druiven en begon met een takje in het zand te tekenen. Toen hoorde hij iets...

✦

Wil je weten wat er daarna gebeurt?

Het verhaal gaat nog lang door — Fos ontmoet alle Loelatsjen één voor één, en het huisje aan de Piepeluiselaarstraat wordt langzaam wakker. Bestel het volledige boek of download het als e-book.

Ook te leen bij vrienden? Deel dit verhaal — elke lezer is welkom.